Naar homepage
Artiest

Sister Rosetta Tharpe

  1. Artiestenchevron right
  2. Sister Rosetta Tharpe
Sister Rosetta Tharpe wordt in brede kring gezien als een van de grootste Sanctified gospel zangers van haar generatie; een kleurrijke verschijning wier muziek vaak flirtte met blues en swing.

Crossing over

Zo was ze ook een van de controversieelste talenten van haar tijd, zij schokte puriteinen met haar gang naar de wereldse markt. Door in nachtclubs en theaters te spelen, bracht ze niet alleen de spirituele muziek naar het grote publiek, maar droeg ook bij aan het proces dat de pop-gospel deed ontstaan.

Komaf

Tharpe werd geboren op 20 maart 1915 in Cotton Plant, AK. Ze was de dochter van Katie Bell Nubin, een reizende missionares en roepster in de klassieke gospel traditie, die bekend stond als "Mother Bell". Rosetta was een wonderkind, ze beheerste de gitaar al toen ze 6 was. Tegelijkertijd, was ze bij Holiness conventions in het kielzog van haar moeder, met gezang als "The Day Is Past and Gone" en "I Looked Down the Line."

De lange weg

Op den duur verhuisde de familie naar Chicago, waar Tharpe haar eigen unieke stijl ontwikkelde; ze was gezegend met een resonant vibrato, en zowel haar vocale frasering als haar gitaarstijl trokken zwaar op uit de blues. Ze raakte steeds verder vertrouwd met de seculaire wereld met een gevoel voor show en glamour dat nog niet bestond in de gospelwereld van haar era. Ze tekende bij Decca in 1938, en zo werd Tharpe letterlijk onmiddelijk een sensatie; haar eerste platen, waaronder "Rock Me" and "This Train", van Thomas A. Dorsey sloegen in als een bom, en in no time stond ze tussen supersterren zoals Cab Calloway en Benny Goodman. Ze leidde een bijna schizofreen bestaan, en bleef in de gratie van haar originele publiek met opnames van materiaal als "Precious Lord," "Beams of Heaven," en "End of My Journey" terwijl ze ook haar groeiende blanke aanhang behaagde met de uitvoering van rearrangementen van versnelde spirituals waaronder "Didn't It Rain" en "Down by the Riverside."

De bloeiperiode

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Tharpe zo populair dat ze een van slechts twee zwarte gospel optredens was -- het Golden Gate Quartet was de ander -- die V-Discs voor overzeese Amerikaanse soldaten opnamen; ze reisde ook door de natie in het gezelschap van onderandere de Dixie Hummingbirds. In 1944, begon ze aan opnames met boogie-woogie pianist Sammy Price. Hun eerste samenwerking: "Strange Things Happening Every Day," stond meteen bovenin Billboard's race records Top Ten, een hoogst zeldzame prestatie voor een gospel act, en een die ze nog een aantal keren herhaalde, in de loop van haar cariere. In 1946, vormde ze een duo met de, uit Newark afkomstige Sanctified roepster Madame Marie Knight, waarvan de eenvoudige, ongezouten zang het perfecte contrapunt vormden voor Tharpe's theatrale aanpak; de eerste single van het duo: "Up Above My Head," was een grote hit, en in de volgende paar jaar speelden ze voor immens grote massa's in alle kerken van het land.

Over de top

Maar... in het begin van de jaren '50 maakten Tharpe en Knight een paar echte blues platen; hun fans waren razend, en hoewel Knight al snel definitief overstapte naar de wereldse muziek -- met weinig succes -- bleef Tharpe vóór alles een a gospel artiest, ofschoon haar geloofwaardigheid en populariteit ernstig beschadigd waren. Niet alleen haar verkoopcijfers daalden, ook haar optredens werden schaarser.

Slotakkoord

Omdat vele many puriteinen Tharpe's uitstapje naar ongelovige muziek op als een persoonlijke belediging opnamen werd de situatie er niet beter op. Zo was ze meer dan een jaar op toer langs clubs in Europa, in afwachting van het overwaaien van de controverse. De comeback van Tharpe was langzaam maar gestaag, en rond 1960 was ze voldoende terug in de gratie om in het Apollo Theatre te verschijnen naast de Caravans en James Cleveland. Hoewel ze nooit haar oude status heroverde, bleef ze optreden, zelfs na een beroerte in 1970, en stierf ze in Philadelphia op 9 oktober 1973.

Nummers van Sister Rosetta Tharpe