NPO Soul & Jazz

De magie van The Apollo

  1. Nieuwschevron right
  2. De magie van The Apollo

De parel van Harlem.

Hij lag opgebaard in een gouden kist. Het was een waterkoude ochtend in december 2006 toen James Brown in een door witte paarden getrokken witte koets door de straten van Harlem reed. De koets stopte voor The Apollo, een poppodium dat plaats biedt aan 1500 bezoekers en waar Mister Brown begin jaren zestig soms zes keer per week, vijf keer per dag optrad - niet voor niets was hij The Hardest Working Man in Showbusiness.

Fans, liefhebbers en bewonderaars van Mr. Dynamite dromden samen en stonden vier rijen dik op 125th Street naar Adam Clayton Boulevard, helemaal tot aan 126th Street. Op het podium en in een open kist lag The Godfather of Soul opgebaard, zodat duizenden fans afscheid konden nemen. Een dag later werd James Brown in besloten kring in zijn geboorteplaats Augusta (Georgia) begraven.

Bruggenbouwer

Nogal wiedes dat James Brown zijn laatste eerbetoon kreeg in The Apollo. Daar was het namelijk waar hij in 1962 zijn magnus opus opnam, simpel Live At The Apollo geheten. Tot dat moment was hij een relatief onbekende naam in de internationale muziekscene, die slechts één keer zijn hoofd boven het maaiveld uitstak met 'Please, Please, Please'. Desalniettemin deed hij er alles aan om superster te worden, werkte 300 dagen per jaar maar had de pech dat muziek van Afro-Amerikanen in gesegregeerde hitlijsten terecht kwam.

Maar toen werd het 24 oktober 1962. Het leek een dag als alle andere, James Brown stond met zijn Famous Flames voor de zoveelste keer in The Apollo, het theater in Harlem dat onderdeel was van het zogeheten Chitlin Circuit, podia door het hele land waar zwarte artiesten mochten optraden. De magie en energie die bij optredens van Mister Brown loskwam, was ongeëvenaard en hij wilde dit vastleggen vanwege de rotsvaste overtuiging dat zijn muziek een brug kon slaan tussen zwart en wit.

Meesterzet

Hoge piefen bij zijn label King Records zagen weinig heil in zo'n live-album, vooral omdat het een aangesloten mix was van ruim een half uur en het dus niet geschikt was voor radio. Maar Mister Brown had maling aan de platenbonzen, betaalde 5.700 dollar uit eigen zak en liet de plaat alsnog persen. Het bleek een meesterzet want menig radio-dj draaide de plaat avond in avond uit in zijn geheel, wat de naam James Brown voorgoed voor het voetlicht bracht. In 1967 en 1971 deed hij het nog eens dunnetjes over en die live-albums werden zijn best verkopende albums, vooral ook omdat evident werd hoe hij funk uitvond en steeds naar een hoger niveau bracht. Ook als megaster bleef hij The Apollo trouw, want waar hij in de jaren 70 met gemak Madison Square Garden kon uitverkopen, trad hij minimaal twee keer per jaar op in dat kleine theater in Harlem.

Van amateur tot prof

Toch is The Apollo zoveel meer dan James Brown. Het theater opende haar deuren rond 1915, hoewel het destijds Hurtig & Seamon's New Burlesque Theater heette en tot 1934 een white-only podium was. Daarna kwam het theater in handen van Sidney Cohen die het omdoopte tot Apollo en de line-up switchte van wit naar zwart. Harlem was in de jaren 20 en 30 een bruisend stadsdeel, waar veel Afro-Amerikanen vanuit het zuiden van de VS naar toe verhuisden en New York in de zogeheten Harlem Renaissance een geweldige creatieve impuls gaven, met theaters als The Apollo en Lafayette als uithangbord.

Na de dood van Cohen namen Brecher en Schiffman het over, die op hun beurt de Amateur Night invoerden, die elke maandag plaatsvond en live op lokale radio WMCA werd uitgezonden. En, nu komt het, de volgende artiesten wonnen deze Amateur Night en het behoeft geen uitleg hoe het ze het verder verging in de showbusiness: Ella Fitzgerald, Billie Holiday, Thelonious Monk, Sarah Vaughan, the Chantels, the Isley Brothers, Leslie Uggams, Jimi Hendrix, the Jackson 5, Gladys Knight and the Pips, Patti LaBelle and the Bluebelles en Stephanie Mills.

Episch centrum

Onder de leiding van Schiffman en diens zoons groeide The Apollo uit tot een heus buurttheater, voornamelijk omdat de ticketprijzen tamelijk laag bleven en de hele buurt zich een avondje uit kon veroorloven. Jazzlegende Lionel Hampton schreef in de jaren 40 over The Apollo: "Het maakte niet uit wat voor zwarte entertainer je was - muzikant, zanger of komiek - wanneer je headliner was in The Apollo, was dat een prestatie waarop je het meest trots kon zijn." The Apollo werd ook wel het epicentrum van Afro-Afrikaanse cultuur genoemd. Want naast soul, gospel, jazz en funk (en tegenwoordig hiphop en streetdance) was The Apollo ook een belangrijk podium voor Afro-Amerikaanse stand-up comedians zoals Richard Pryor en Redd Foxx.

Be good or be gone

Het publiek was zeer kritisch in The Apollo. Ongetwijfeld geïnspireerd door de Amateur Night, waar het publiek de artiest mocht toejuichen of juist weghonen, waarna de zogeheten Executioner de uitgejouwde artiest van het podium danst. Maar ook bij reguliere betaalde artiesten kon het publiek in The Apollo meedogenloos zijn. Of ze hielden juist onvoorwaardelijk van je, waardoor het dak er af ging, ook al was het 's ochtends (in die tijd trad een artiest meerdere malen per dag op). Billie Holiday schreef over het publiek in haar Lady Sings the Blues: “They were wide awake early in the morning. They didn’t ask me what my style was, who I was, how I had evolved, where I’d come from, who influenced me, or anything. They just broke the house up.”

Bekijk de allereerste Moonwalk van Bill Baily in The Apollo in 1955:

Buizerdsnest

De nok van The Apollo, dat wil zeggen het publiek op het tweede balkon, had een eigen reputatie. In de volksmond werd dat tweede balkon Buzzard's Roost genoemd. Volgens een voormalig manager van The Apollo kon een artiest het wel schudden wanneer hij het podium betrad en vergat het tweede balkon een fijne avond te wensen. Of die keer in de jaren 40 toen een gitarist van de band van Lester Young zich waagde aan 'What'll I Do' van Nat King Cole en daarmee volledig de plank missloeg en door een vijandig publiek van het podium werd gejaagd.

Ralph Cooper deed op de radio verslag van de Amateur Night en was tevens 60 jaar lang MC. Hij beschreef het publiek van The Apollo treffend: “Once they get up a head of steam, there’s nothing to do but jump for cover. If they have their blood up, Mother Teresa could walk out there, make her plea for starving babies, and still get booed off the stage.”

Luister hier naar Live At The Apollo van James Brown, in de geremasterde versie van 2004 waarin de liedjes uit elkaar zijn geknipt: